Niets is wat het lijkt. Het is een boek over paradoxen en absurditeiten. De werkelijkheid steekt veel ingewikkelder in elkaar dan wij denken. Wij denken als mens een hogere soort te zijn, wij denken meer te zijn dan de dieren met hun platte strijd om te overleven. Maar alles wat anders aan ons is, blijkt ook strijd te zijn, alleen is het subtielere strijd, een strijd om ideeEn, een strijd om aandacht, een strijd om beroemdheid en om aantrekkelijkheid. Cultuur is niet zo verheven als het lijkt. Eeuwen hebben we bloed vergoten en onze vrijheid bevochten. We hebben de natuur naar onze hand gezet en uitvinding na uitvinding gedaan om onze situatie te verbeteren. Het is ons aardig gelukt, we hebben ons omringd met welvaart en met vrijheden, we kunnen kiezen wat we willen. Maar nu blijkt dat we helemaal geen vrijheid willen, we doen het liefst wat een ander ook doet. Nog nooit hadden we zo veel zenders op tv tot onze beschikking, maar nog nooit was de eenvormigheid van de programma's zo groot. Als het een dagje mooi weer is, staan we allemaal met de neuzen van dezelfde auto's dezelfde kant richting Zandvoort en Scheveningen op. We willen keuzes maar we willen niet kiezen. We willen ons associeren met winnaars en er kunnen per definitie maar enkele winnaars zijn. Onze hersens kunnen te veel vrijheid niet aan, daarvoor is onze geheugencapaciteit te beperkt. Onze hersens moeten zuinig met informatie omgaan, onze hersens zijn gemaakt om de wereld zo simpel mogelijk voor te stellen, om de wereld in een beperkt aantal heldere vakjes in te delen. We denken van nature in top-10's. Wie is er deze week weer met stip gestegen? Daarom willen we helden en beroemdheden hebben, die maken de wereld een stuk simpeler voor ons. Het rare is dat die helden wel heel gewoon moeten blijven. Zo las ik een stuk in de krant over Nederlandse popmuziek. Er is een stroming van soortgelijke Nederlandse bands, allemaal bewust Nederlandstalig zingend, allemaal over de eenvoudige dingen van het leven, allemaal maken ze dezelfde soort muziek. Het moeten gewone jongens zijn die toch de helden van hun fans zijn. Dat is wat de mensen willen horen, de melodieen sijpelen als warme boter je oor in.
Het is me nog niet helemaal duidelijk. Waarom ben je zo gefascineerd door paradoxen?
Ik kan me nog goed herinneren dat ik net was afgestudeerd als econoom. Ik ging werken als assistent van een professor in Nijmegen. 'Zo jongen', zei hij tegen mij, 'jij weet het allemaal zo goed. Ga jij dit boekje maar eens lezen, dan gaan we daar volgende week eens over doorpraten'. Het was een simpel economieboekje dat op middelbare scholen werd gebruikt. Wat een onzin, dacht ik nog. De professor begon vragen te stellen over de basis van het vak economie, vragen waar ik als afgestudeerde nog nooit over nagedacht had. Waarom is het snijpunt van vraag en aanbod een evenwicht? Hoe komt zo'n evenwicht tot stand? Iets wat heel simpel leek, bleek ongelooflijk complex in elkaar te steken. Het was eenvoudig zat om het snijpunt van de vraag- en aanbodlijntjes uit te rekenen, maar van de wereld achter die lijntjes bleek ik geen kaas te hebben gegeten. De veilingmeester die de evenwichtsprijs afriep, bleek een truc van economen te zijn om al die andere onoplosbare problemen te omzeilen. In de praktijk is er natuurlijk helemaal geen veilingmeester die alles netjes op elkaar afstemt. We moeten dus van tevoren maar wat gokken en produceren op basis van een verwachting. Achteraf zien we dan wel wat er gebeurt en passen we ons gedrag eventueel weer aan. Economie gaat feitelijk over verwachtingen die subjecten over elkaar en de toekomst vormen en de handelingen die daar dan uit volgen. Een slimme producent denkt in termen van 'ik denk dat jij denkt dat ik denk dat.. '. Een mooi en vanzelfsprekend evenwicht komt daarbij zelden uit de bus rollen. In de economie hoeft het daarom helemaal niet om de echte of objectieve schaarste te gaan. Op de beurs is een aandeel wat waard omdat ik denk dat anderen denken dat het wat waard zal worden. Soms ontstaan hierdoor speculatieve bellen met een hoop lucht. Niets aan de hand zolang maar niemand aan de waarde van het aandeel begint te twijfelen. Als een invloedrijk iemand begint te twijfelen en dus begint te verkopen, dan gaat het ook in een keer heel hard naar beneden. Ook op de beurs lopen mensen dus achter elkaar aan waardoor volstrekt oncontroleerbare toestanden kunnen ontstaan. Ook aardig in dit verband is het mierenprobleem. Er zijn twee stapels met eten en er vertrekt een mierenkolonie naar dat eten. De afstand van de mierenkolonie tot de twee stapels is gelijk en je verwacht dat bij beide stapels evenveel mieren aankomen. Experimenten laten echter zien dat er geen gelijke verdeling van mieren over de twee stapels ontstaat. Van de twee stapels wordt er eentje een duidelijke winnaar en eentje een duidelijke verliezer. En dat terwijl, nogmaals, de twee stapels identieke objectieve eigenschappen hebben. De verklaring is dat de mier die toevallig voorop loopt iets moet doen, hij gokt maar wat. Bij succes gaan andere mieren hem achterna, je krijgt volggedrag en ingesleten patronen. De first mover heeft langblijvende effecten voor de latere historie. Dit fenomeen wordt ook wel hysterese of padafhankelijkheid genoemd. De reis zelf is bepalend voor het resultaat. Het resultaat kan niet zonder de reis zelf worden bekeken. Waarom is een tv-presentator zo populair? Omdat hij zo veel beter is dan de rest van Nederland? Dat is onwaarschijnlijk. Deze presentator was toevallig de eerste, we zijn aan hem gewend, we weten wat we van hem kunnen verwachten. Toeval en geschiedenis zijn dus bepalend voor succes en niet alleen de zogenaamde objectieve kwaliteiten van de man. Het kan ook zo weer omslaan, want het zit natuurlijk niet zo diep, het is immers geen echt optimum. De opkomst van sterren en films heeft dus veel overeenkomsten met de gang van zaken op de beurs en met het gedrag van mieren.
Is dat de reden waarom verplatting of versoaping een regelmatig terugkerend onderwerp in je boek is?
Vervlakking, verplatting, versoaping, Disneyficatie, McDonaldization, Eftelisering, ik gooi het allemaal op een hoop. Wat ik er mee bedoel is dat enkele spelers in extreme mate alle anderen domineren, of we dat nu willen of niet. Het zijn autonome ontwikkelingen die ergens in onze genen en in de werking van onze hersens hun verklaring moeten hebben. Het is een actueel thema waar de kranten vol mee staan. Ik ben dus niet de enige die geboeid wordt door de versoaping. Hier, ik pak gewoon de krant van vandaag, NRC-Handelsblad van 29 september 2000. Twee voltreffers, geheel aan het onderwerp gewijd. Het eerste artikel verfoeit het streven van openbare bibliotheken naar een zo groot mogelijk publieksbereik. Bibliotheken hebben een knieval gemaakt voor de grote massa. In een businessplan spreekt de bibliotheek alleen nog maar in managersproza over rendement, marktwerking en public relations. Het woord 'literatuur' wordt niet meer aangetroffen. Oude en stoffige boeken werden voor twee gulden per stuk verramsjt en hiervoor in de plaats werden bestsellers en videobanden gekocht. Serieuze studieboeken werden verruild voor populaire praktijkboekjes als Frans voor op de camping. De stilte is verdwenen op de bibliotheken want de moeders die er komen laten er hun luidruchtige kinderen rondrennen. De bibliotheek moet ons cultureel verheffen, maar in plaats daarvan zijn we verworden tot slaven van de markt en de computer. Het andere artikel is van de hand van essayist Henk Hofland die beweert dat de vrije markt in haar anonimiteit de grootste vijand is van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken. Het rare is dat geen enkel individu de boosaardige opzet heeft om de cultuur te vermoorden. Er komen geen wetten aan te pas, geen politie, geen samenzwering, het gaat vanzelf en het is onvermijdelijk. 'Niet het denken, niet het uitlokken tot eigen prestaties, niet de uitnodiging om een poging te doen tot het kijken in verleden en toekomst, maar het per seconde happen, proeven, doorslikken en weer de mond open.' Het gaat goed, het gaat steeds beter, met de ervaringseconomie waar Pine en Gilmore het in hun bestseller The experience economy over hebben. Ondertussen krijgt de kunstzinnige film het steeds moeilijker en gaat het grote publiek naar steeds minder films. Enkele bioscooptoppers halen bijna alle omzet binnen en dat terwijl er meer films dan ooit worden gemaakt!
Maar dat is toch allemaal heel vervelend om te horen? Ik wil helemaal niet dat ik alleen nog naar de McDonalds kan. Hoe verhoudt zich dat tot de kwaliteit van leven en tot schoonheid. Want je beweert in de titel van je boek: 'maar dat maakt het juist zo mooi!'. Wat is dat volgens jou eigenlijk, schoonheid?
Tja, daar raak je een moeilijk punt. Ik ben daar eigenlijk heel dubbel in. Zelf hou ik ook van de 'betere' boeken en films. Maar dat zeggen met mij zoveel mensen. Ik zal een voorbeeld geven waar ik me geweldig aan heb gestoord. In heb een tijdje in Sassenheim, een bollendorpje bij Leiden, gewoond. Daar had je twee Chinese restaurants. Nummer 1, ik noem hem hier even de slimme Chinees, was een Chinees die gevoel voor de markt had. Hij had een kan koffie voor de bezoekers staan, er stonden snoepjes voor de kinderen en de inrichting zag er fris en modern uit. Deze slimme Chinees deed alles met de computer. Bij elk bezoek kreeg je een fraai overzicht van je bestellingen. Nadeel van deze Chinees was dat de kwaliteit van het eten belabberd was, er zat geen smaak of kraak aan. Chinees nummer 2, ik noem hem maar de hobby-Chinees, had zijn afhaalbalie zo'n beetje in zijn keuken annex woonkamer staan. Het toilet voor de gasten was ook zijn eigen toilet. Zijn kinderen reden op fietsjes dwars door de zaak heen. Het was allemaal heel sober, geen snoepjes voor de kinderen en geen computer. Het eten was echter voortreffelijk, dit was in de hele omstreek de beste Chinees, vond ik. Je mag drie keer raden welke Chinees het meeste succes bij zijn klanten had. Natuurlijk de slimme Chinees met de computer, daar was het altijd druk. Zo druk zelfs dat je net als bij de slager en de bakker met bonnetjes op je beurt moest wachten. Mensen gaan blijkbaar eerder voor de gimmicks dan voor de kwaliteit van het basisproduct.
Je hebt nog steeds niet gezegd wat hier nu zo mooi aan is.
Wat er mooi aan is, is de paradox. Wij klagen over de vervlakking, maar wij zijn het ook zelf die de vervlakking op ons geweten hebben. Er is geen schuldige aan te wijzen. Was het maar zo simpel, dan konden we het ook zo eventjes oplossen. Schoonheid heeft voor mij ook te maken met het accepteren dat het gaat zoals het gaat. Het aanschouwen van deze werkelijkheid die als een ui laag-voor-laag kan worden afgepeld en steeds weer een nieuw en onverwacht gezicht toont, dat is schoonheid. Het genieten begint pas als je de hooggestemde verbeterdoelen kan loslaten. Ik erger me ook niet meer aan de mensen die zo nodig naar die computer-Chinees moeten. Ik hoef ze toch niet op te voeden? Laat ze toch. Ik blijf lekker naar mijn eigen Chinees gaan en hoef daar niet eens in de rij te staan. Ik ben ook helemaal niet zo'n somberaar. Ik bestel mijn boeken via Internet en heb daar een keuze die ik nog in geen enkele boekwinkel ooit ben tegengekomen. Als ik On the origin of species van Darwin wil bestellen, kan ik kiezen uit een stuk of tien verschillende edities. Noem mij maar een boekhandel waar dat ook kan. De mensen die nu klagen over de vervlakking missen voor een deel ook de oude en vanzelfsprekende machtspositie die hen verhief boven de massa. Het feit dat je Shakespeare in de kast heb staan en doctorandus bent, is niet meer voldoende om interessant of aantrekkelijk te zijn. Het spel der verleiding is niet simpeler geworden maar juist veel complexer. Als je vroeger in je spijkerbroek een nieuwe auto kwam kopen, dan werd je met de nek aangekeken. Toen was de wereld nog simpel, iemand in een pak had geld en die kon een dure auto betalen. Maar nu kopen de miljonairs hun spulletjes ook gewoon bij de Aldi, alles loopt heerlijk door elkaar heen. De codes zijn veel ingewikkelder geworden. En daar is niet iedereen blij mee. Ook dat is schoonheid.
Je twijfelt dus ook aan de oprechtheid van sommige somberaars die ach en wee roepen over de toenemende vervlakking?
Ach natuurlijk. We zijn allemaal mensen. Elke verandering leidt weer tot nieuwe winnaars en verliezers. En verliezen is nooit fijn. Romanschrijver Arnon Grunberg heeft de tweeslachtigheid van onze houding ten opzichte van het boek aan de kaak gesteld. Enerzijds zien we een roman als een product dat verkocht moet worden en als dat niet lukt is dat het probleem van de fabrikant. Aan de andere kant beschouwen we de roman als een bedreigde diersoort die beschermd moet worden van de akelige krachten van de markt. Volgens Grunberg moet een roman vooral vermaak bieden, een gevaarlijke roman is een contradictio in terminis. Zogauw het etiket 'kunst' of 'cultuur' erop is geplakt, kan er geen sprake meer zijn van gevaar. Wie gevaarlijk wil zijn, moet terrorist worden en geen romanschrijver. Grunberg vermoedt dat het een teken van beschaving is dat je van gevaarlijke boeken moet houden en dat je populaire boeken moet afkeuren. Er schijnt in wetenschappelijk onderzoek naar de voorkeuren voor porno een apparaatje gebruikt te worden dat in de hersens kan kijken of iemand van de porno geniet. Iemand kan dan wel zeggen dat hij er niets aan vindt, maar als de hersenactiviteiten anders uitwijzen, helaas dan. Zo'n apparaatje moet je ook gebruiken om te bekijken of er bij de voorkeuren van sommige mensen voor gevaarlijke romans ook sprake is van geveinsd genot. Grunberg zegt dus met zoveel woorden dat we moeten ophouden met interessanter te doen dan we eigenlijk zijn. Schrijvers zijn het pauzenummer en de bar is open. 'Natuurlijk doen we gewichtig over ons pauzenummer, sommigen althans, zoals we ook doen alsof geld niet zingt, maar het zingt harder en mooier dan de waarheid en de schoonheid bij elkaar'. En: 'Het verlangen een gevaarlijke roman te schrijven, die de wereld door elkaar husselt en aantast, die voor een aardbeving zorgt, dat is lang niet gek, voor een verlangen.' Prachtig! Dat is precies waar het over gaat. Schoonheid is ons voortdurende streven belangrijk gevonden te worden in het besef dat dat eigenlijk nooit echt zal lukken. Dat we ons voortdurend mooier voordoen dan we in werkelijkheid zijn, dat is toch boeiend! Mensen zijn onbewust altijd bezig met hoe ze overkomen op anderen en dat moet uiteraard bij voorkeur een mooi plaatje zijn. De psycholoog David Buss beweert dat we nu eens moeten accepteren dat we met moraal of cultuur niet zo veel kunnen. Het gedrag van mensen kan volgens hem helemaal verklaard worden uit fundamentele emoties als doodsangst, begeerte, overlevingsdrift en de angst om uit de groep te worden gestoten. Daarom worden voor mensen binnen de groep andere morele maatstaven gehanteerd dan voor mensen buiten de groep. En daarom hebben mensen ook een sterke neiging om in het openbaar andere dingen te propageren dan waar ze zich zelf aan houden.
Ik wil naar eventuele lessen voor het bedrijfsleven. Wat kan een ondernemer hiervan leren? Hoe moeten medewerkers in een bedrijf met elkaar omgaan?
Ook in bedrijven wordt het er niet simpeler op. Gewone hierarchie werkt vaak niet meer. Werknemers stellen, terecht, hogere eisen aan de bedrijven waar ze hun diensten aanbieden. Zowel klanten als medewerkers van een bedrijf moeten veel meer dan vroeger worden 'vermaakt'. Het bedrijf moet een experience zijn om in te werken. En het gaat hier heus niet om gemakkelijk vermaak, want daar hebben medewerkers snel genoeg van. Met af en toe een dagje 'leuke dingen doen', red je het echt niet. Medewerkers zoeken ook naar een diepere betekenis in hun werk, het klinkt misschien wat zwaar, maar ze zoeken naar moderne vormen van zingeving. Bij een toenemende welvaart geldt steeds minder dat je voor het geld alleen gaat werken. De keuze voor een werkkring wordt daarmee juist minder pragmatisch. Je brengt een flink deel van je leven door in je werkkring en dus moet het werk er wel toe doen, het moet zin geven. Hier doet zich weer een interessant verschijnsel voor. Het sociale kapitaal in de maatschappij neemt volgens sommigen af. Mensen zijn meer op zichzelf en hun eigen welbevinden gericht. Het sociale kapitaal is de lijm van de samenleving. Denk aan de bereidheid van mensen om zich belangeloos in te zetten voor hun buurt, hun club en de kerk. Maar het zou wel eens zo kunnen zijn dat het sociale kapitaal, waar we inderdaad niet zonder kunnen, verschuift van de samenleving, zeg maar het publieke domein, naar de bedrijven zelf, naar het private domein. Bedrijven worden de redders van ons sociaal kapitaal. Het domein waar bedrijven zich mee bemoeien wordt steeds ruimer. Bedrijven organiseren acties voor het goede doel, werken actief aan een beter milieu en subsidieren de kunsten. Althans, dat beweren bedrijven, niets is natuurlijk wat het lijkt. Zo herbergt een bedrijf zowel strijd als cultuur. De strijd is nodig om te overleven, er moeten producten worden verkocht en ervaringen worden bezorgd, maar er is meer dan dat, er is iets hogers, iets dat moeilijk te vangen is maar dat we cultuur noemen. Het bedrijf van de toekomst moet zowel voor spanning als voor ontspanning zorgen. Beide begrippen, spanning en ontspanning, hebben in mijn ogen met kwaliteit te maken. Geen enkel bedrijf kan zonder de spanning die hoort bij een gezonde strijd, er moet altijd een hoge berg zijn om te beklimmen. Maar een bedrijf kan ook niet zonder de ontspanning die hoort bij de geborgenheid van de club gelijkgestemden.
Zou je zover willen gaan dat werken een nieuwe hobby of vrijetijdsbesteding is geworden?
Werknemers hebben meer macht en dus moet werken ook leuk zijn. Je kunt je zelfs afvragen wat in deze context een bedrijf nog precies is. Als iedereen een beetje aan het shoppen slaat waar hij zijn diensten het best kan gaan inzetten, dan worden bedrijven feitelijk verzamelingen van individuen met gelijkgestemde idealen en ambities. Het bedrijf als hobbyclub. In een hobbyclub is de organisatie er voor de leden en niet andersom. Het bestuur van de hobbyclub doet haar werk in opdracht van haar leden. Het is echt niet meer zo'n grote stap naar de situatie dat een verzameling werknemers op zoek gaat naar een directie die bereid is tegen betaling te zorgen voor vermaak en voor zingeving. De rollen zijn dan omgedraaid, de werknemers zijn ondernemers geworden, de directie is werknemer geworden. In Rotterdam is een nieuw soort uitzendbureau voor IT-specialisten opgericht dat volgens deze formule werkt. Je meldt je als IT-specialist aan en geeft je 'directie' opdracht voor x weken werk te zoeken tegen een bepaald uurtarief. De directie is hier een soort klussenbus, ze nemen de verplichting op zich om voor jou werk te zoeken en in opdracht van jou een zo hoog mogelijk uurtarief uit te onderhandelen. In ruil hiervoor krijgt de directie voor elke gulden die jij verdient een kwartje. Sommige IT-specialisten verdienen nu in een half jaar meer dan daarvoor in een heel jaar. Vakanties opnemen naar eigen inzicht is nu geen enkel probleem meer, je bent het immers zelf die de vakantie betaalt. Popmuzikanten werken overigens al tijden met dit concept. Zij huren de manager in die hun belangen het best dient en ontslaan hem ook weer als dat zo uitkomt. Ik vind de vergelijking van het bedrijf met een hobbyclub zo gek nog niet. In een hobby gaat het vaak ook nergens over, het is allemaal niet functioneel. In een bedrijf hebben we nog de illusie dat het ergens over gaat. Als het in een bedrijf gebeurt dan is het plotseling belangrijk of serieus. Volgens mij gaat de romancyclus Het Bureau van Han Voskuil hier voornamelijk over. Het Bureau is een uit de hand gelopen hobby van oprichter meneer Beerta. De hobby ontstond op het moment dat meneer Beerta ontroerd werd door een oud boerderijtje waarna hij ging nadenken over de zin van het leven, over vergankelijkheid, over waar wij vandaan komen. De hobby is hem op den duur boven het hoofd gegroeid. Zoetjes aan kwamen er steeds meer mensen bij de club en die gingen het op den duur steeds serieuzer nemen. De club ging een eigen leven leiden en het werd allemaal belangrijk gemaakt. Het is de irritatie van Maarten Koning, de hoofdpersoon van het boek, dat iedereen vergeten is dat het gewoon een hobby is, vergeten dat het gewoon een aardige manier is om van de straat te zijn. Maarten Koning relativeert en laat los, hij geniet van de kleine dingen van het leven en hij gelooft niet meer in de grote verhalen. Ik pak deel 6 van Het Bureau er even bij. Hier op pagina 646: 'Daarna repareerde hij het dopje van zijn vulpen. Zulke werkjes gaven hem een geluksgevoel en na afloop een grote voldoening, de zekerheid dat hij niet voor niets had geleefd.' En even verderop: 'En vervolgens kwam hij als zo vaak tot de slotsom dat hij in tegenstelling tot vroeger geen grein geloof meer had in de beheersbaarheid van de mens en de maakbaarheid van het leven.' Maarten Koning is sowieso een postmodernist. 'Waar het op dus neerkomt, is dat het idee dat de wetenschap voortdurend vooruitgang boekt en steeds dichter bij de waarheid komt, een fictie is. Iedere generatie legt haar eigen maatschappijbeeld op aan de feiten om daaruit vervolgens de zekerheid te putten dat dat beeld juist is'. Voskuils werk staat geheel in het teken van niets is wat het lijkt.
Het bedrijfsleven breidt haar macht en invloedssfeer dus uit naar voor haar vreemde en voorheen zuiver publieke domeinen. Heeft dat nog gevolgen voor bijvoorbeeld de politiek?
Bedrijven krijgen steeds meer politieke taken, dat is zo. En de politiek krijgt ondertussen steeds meer de eigenschappen die vroeger uitsluitend aan het bedrijfsleven werden toegedicht. Het bedrijfsleven praat steeds meer over vermaak, zingeving en sociaal kapitaal. De politiek heeft het steeds meer over rendement, zakelijkheid en efficiency. Vreemd eigenlijk. Ik sluit niet uit dat het er in het bedrijfsleven inmiddels socialer aan toe gaat dan in de politiek. Op de radio hoorde ik een interview met iemand die net twee jaar in de Tweede Kamer zat. Deze mevrouw had een CNV-verleden en eerlijk gezegd: het viel haar allemaal wat tegen. Haar collega's voerden een flinke strijd om bij de pers en de kiezer in het gevlei te komen. Waar het om ging was haantjesgedrag, profileren en scoren. De inhoud en de idealen kwamen nauwelijks serieus aan bod. Deze mevrouw, en dat was paradoxaal genoeg de reden voor het interview, eindigde zowat op de laagste plaats in de Intermediair citatie-index voor Tweede-Kamerleden. Het was niet haar eigen idee om de politiek in te gaan, ze werd gevraagd door de PvdA. Hoewel ze van tevoren wist dat de politiek een aparte wereld was, heeft ze uiteindelijk toch toegestemd. Wil je de wereld veranderen, dan moet je toch bij de politiek zijn. Ze heeft zich voorgenomen niet mee te doen met de spelletjes, ze wil zich tot de inhoud van de zaak beperken, haar best doen. Maar ze merkt al dat ze nu, na twee jaar, een kleinere portefeuille heeft dan toen ze in de kamer aankwam. Anderen pikken delen van je portefeuille in als je je niet agressief genoeg opstelt. Het zij zo, ze wil zich niet aanpassen zoals anderen dat doen, dat is haar afspraak, ze blijft zichzelf ook omdat ze niet goed functioneert in een haantjescultuur. In haar CNV-werk was veel meer sprake van teamwork en onderlinge afstemming. Ze realiseert zich dat het systeem dergelijk gedrag uitlokt, maar toch hoopt ze dat meer mensen haar voorbeeld volgen in de politiek. Het getuigt van moed of lef om niet met de stroom mee te gaan, niet te vallen voor de verleiding van de macht van de populariteit. Door samen te werken zou er minder energie verloren gaan in de strijd en meer energie overblijven voor het bereiken van de idealen. Begrijpelijk standpunt, maar wat naief. Maar uiteindelijk is de kiezer de baas, die bepaalt wie de winnaars zijn en wie de verliezers. Zal de kiezer door deze materie heenkijken, zal de kiezer erkennen dat er meer voordeel te behalen is met mensen die zich daadwerkelijk voor de zaak inzetten? Ook een paradox is dat juist iemand die het meest om de kiezer geeft, het minst moeite wil doen om bij die kiezer in het gevlei te komen.
Op basis waarvan schrijf je eigenlijk een boek als dit? Hoe weet ik nu of je niet uit je nek zit te kletsen.
Dat weet je niet. Maar daar gaat het toch niet om? Het gaat er om of het een mooi verhaal is. Of het verhaal dat ik schrijf waar is, is niet zo relevant. Ik pluk uit allerlei bronnen die ik de afgelopen jaren heb gezien of gelezen. Ik praat bestaande stukken tekst aan elkaar en brei zo mijn eigen verhaal. Ik gebruik bewust geen noten of literatuurverwijzingen omdat dat te veel precisie of exactheid of wetenschappelijkheid van mijn kant zou suggereren. Ik pretendeer ook helemaal niet de auteurs die ik gebruik recht aan te doen, ik gebruik hun ideeen puur voor mijn eigen betoog. Ik doe feitelijk aan selectieve bewijsvoering. Daarom spreek ik liever over inspiratiebronnen, en die heb ik dan ook achterin dit boek genoemd. Het zijn de auteurs met hun teksten die ik integraal en aandachtig heb bestudeerd en die mij hebben geinspireerd dit boek te schrijven Dan zul je ook wel willen weten voor wie ik dit boek heb geschreven? Ja, in de eerste plaats natuurlijk voor mezelf, dat zal je niet verbazen. En verder voor de mensen die van paradoxen houden.